Max

Vijf jaar geleden ontmoette ik deze Limburgse jongen in een studio in Amsterdam, voor een verhaal in Esquire. Ik dacht daar afgelopen zondag opeens aan terug. Hier volgt het verslag van toen…

Het zou natuurlijk heel mooi zijn geweest als hij op de afspraak was verschenen in een gedeukte Polo. En dat hij dan bij het inparkeren na vijf keer steken een paaltje had geramd. Waarna de motor niet meer wilde starten. ANWB erbij, alles. Dan heb je echt een goed verhaal.

Maar het waar gebeurde verhaal is nog veel mooier. We schrijven drie dagen na de Grand Prix van Brazilië. Vóór die race van start ging, was Max Verstappen alleen nog maar het supertalent van de Formule 1, de jongen die er aan kwam, die de gevestigde orde uitdaagde met zijn agressieve rijstijl. Hij had in mei natuurlijk al de Grand Prix van Spanje gewonnen, maar dat kon je nog relativeren omdat Hamilton en Rosberg, de mannen met de snelste auto’s, elkaars Mercedes pal na de start van de baan hadden gereden.

In die tijd (het lijkt alweer eeuwen geleden) waren de meningen over Max nog ‘verdeeld’. Fans waren dolenthousiast; norse raceveteranen bromden dat die jongen nog veel moest leren, en dat hij nog ongelukken zou maken als hij zo roekeloos bleef rijden. Enfin, het gebruikelijke gemopper als een jonge nieuwkomer zijn plek opeist tussen de grote mensen.

Die hele discussie is dus alweer ingehaald door de gebeurtenissen in São Paulo. Je kunt het nog lang hebben over die wedstrijd, over een krankzinnige inhaalrace in de stromende regen, over de manier waarop Max zijn auto op de baan hield na een ademstokkende glijpartij met 250 kilometer per uur, maar de conclusie is simpel: Max Verstappen is geen ‘talent’ meer, Max Verstappen is een wereldster. En je hoort het van alle kanten, dus er zal wel wat in zitten: de vraag is niet of Max wereldkampioen wordt, maar wanneer.

Nou, daar is hij dan. Onverwacht, want veel te vroeg. En dat is het gezicht dat nu over de hele wereld wordt herkend: de wijd uit elkaar staande ogen, de grote, ietwat vrouwelijke mond, de zware wenkbrauwen, de jeugdpuistjes, de blanco uitdrukking. Spijkerbroek, gympen, teampetje, teamjasje. Een gewone slungel van negentien, niet in een gedeukte Polo helaas, maar wel met een hele entourage in het zog. Mensen van Red Bull Racing, mensen van Pepe Jeans (partner en supplier van Red Bull Racing), mensen van het management. In de achtergrond: Jos. Armen over elkaar, kalmpjes observerend.

Eerst mag hij naar de make-up, onze Max. Alleen is hij onze Max niet meer; hij is nu de Max van de hele wereld. En het is zelfs de vraag of Max ooit van ons is geweest. Zijn moeder is een Belgische, hij is geboren en getogen in Maaseik, in Belgisch Limburg, heeft als jongetje altijd gekart op het circuit van Genk, en woont sinds een jaar in Monaco. ‘Wonen’ moet je trouwens niet al te serieus nemen in zijn wereld, want tijdens het seizoen leven de coureurs praktisch uit hun koffer. Je kunt, kortom, rustig zeggen dat het circuit zijn enige echte thuis is. Welk circuit dan ook.

Tussen de bedrijven door is er ook even tijd om te praten. Vindt Max allemaal prima, al heeft hij er al een hele middag opzitten van fans, foto’s en vragen, zo’n dag waarop er voortdurend aan je arm wordt getrokken door pr-types, sponsors, fotografen, assistent-fotografen, stylisten, journalisten. Ook nu is hij weer het middelpunt van gespannen bedrijvigheid, want inmiddels heeft zich in de niet al te grote studio een mannetje of twintig verzameld, en iedereen heeft iets met Max, wil iets van Max, moet iets met Max. En Max blijft stoïcijns natuurlijk, want zo is hij, dat hoor je en lees je tenminste overal: een koele jongen, onder alle omstandigheden, altijd in control, laat zich nooit op stang jagen.

Is hij altijd zo geweest?

‘Sinds mijn geboorte,’ zegt hij, zonder een vleugje ironie.

Is er wat hem betreft iets veranderd sinds zondag? Voor de buitenwereld wel, voor hemzelf vrij weinig. Wat denkt hij als mensen hem met Senna en Schumacher vergelijken? Da’s mooi om te horen, maar daar staat hij dus ‘neutraal’ in. Hoe gaat hij om met dit soort dingen, de publiciteit, al die mensen die opeens iets willen? Hij blijft zichzelf. Vindt hij het niet spannend? Nee, spannend niet, eerder slaapverwekkend. Hij zit liever in een raceauto.

Het haar is wat vlotter gestyled, de puistjes zijn weggewerkt en nadat hij bedachtzaam een pizzapunt naar binnen heeft gewerkt moet Max zich alweer omkleden voor de fotosessie. Zonder morren laat hij zich in het spijkergoed hijsen. Als hij zijn shirt heeft losgeknoopt kun je ook even zien dat Max niet zo’n doodgewone knul is als hij van de buitenkant misschien lijkt, dat hij wel degelijk een topatleet is. Brede schouders, stevige bovenarmen, opgepompte borstspieren. Daag deze jongen niet uit voor armpje drukken. En volgend jaar zal hij nóg sterker zijn, niet alleen omdat hij pas negentien is en lichamelijk nog niet uitontwikkeld, maar ook gewoon omdat het moet: de auto’s worden sneller, de G-krachten zullen nog harder aan zijn lijf trekken. Wie kampioen wil worden, brengt veel tijd door in de sportschool. En dat wil Max natuurlijk, er was altijd maar één doel, ook toen hij als kind nog in de kart reed: wereldkampioen Formule 1.

Dit weten we al over Max: hij was geboren om te racen. Kan ook niet anders, met zulke ouders. Jos Formule 1-coureur, moeder ook een getalenteerde racer. Max kreeg zijn eerste kart toen hij vier was. Ging vanaf zijn zevende wedstrijden rijden, onder de hoede van Jos. Dat had toen nog alle kanten op kunnen gaan, maar in feite ging het in één rechte lijn omhoog. Max bleef maar winnen in de kart, maakte de overstap naar de autosport met één jaar in de Formule 3, waarna hij een contract tekende bij Red Bull Racing. Hij was zestien.

Je kon dat nog zien als een soort bizarre pr-stunt: kom op jongens, we zetten een puber zonder rijbewijs in een Formule 1-auto. Maar dat was het dus niet. In 2015 pakte Max bij het satellietteam van Red Bull, Scuderia Toro Rosso, al meer punten dan vader Jos in zijn hele F1-carrière. Hij werd vierde in Hongarije, vierde in Austin, Texas. Maakte indruk met spectaculaire inhaalacties. En brak natuurlijk een aantal leeftijdsrecords: jongste coureur ooit in een Grand Prix, jongste coureur ooit die WK-punten scoorde.

In 2016, nou ja, dat is bekend. Na vier races voor Toro Rosso maakte hij, midden in het seizoen, de overstap naar het grote Red Bull, en prompt won Max, 18 jaar oud, de eerste race waarin hij aan de start verscheen: de Grand Prix van Spanje.

Toen hij uit de auto stapte, had hij kramp van het juichen.

Niet alle collega’s juichten mee. Met name de coureurs van Ferrari maakten zich het afgelopen seizoen een paar keer boos over de, laten we zeggen, assertieve wijze waarop Max zijn positie in de races verdedigde. Tijdens de Grand Prix van België vertikte hij het bijvoorbeeld om de snellere Kimi Rakkonen te laten passeren. Na afloop (hij was geëindigd op een teleurstellende elfde plaats) verklaarde hij droogjes dat hij de Ferrari’s ‘nog liever van de baan reed’ dan dat hij ze voorbij liet.

Pittig commentaar. Aan de andere kant: als Max Verstappen inderdaad een toekomstig Wereldkampioen is, moet het waarschijnlijk zo gaan. Kampioenen geven geen voorrang. Niet in de wedstrijd, tenminste. Zoals hij met dat dromerige koppie voor de camera’s poseert lijkt het misschien een schat van een jongen, zo eentje die je eerder een Chocomel aanbiedt dan pakweg een Red Bull. Maar ondertussen is hij dus ook een meedogenloze coureur, die de concurrent geen centimeter asfalt gunt. We zouden het bijna vergeten, vanwege die weergaloze rit, maar in São Paulo had hij het wéér aan de stok met een Ferrari, Vettel dit keer, die even moest ‘grasmaaien’ omdat Max de bocht nogal ruim nam, als je het vriendelijk wilt uitdrukken. Maar de fans houden daar van, dat brutale, dat zelfbewuste, die ‘opzij, hier kom ik’-mentaliteit. In een sport die uitsluitend wordt beoefend door brutale, zelfbewuste tiepjes, die voor niemand opzij gaan, zegt het wel wat als je er op die manier bovenuit steekt.

Droomt hij wel eens van racen? Vroeger meer dan nu. Hoezo? Hij heeft de top bereikt, zijn dromen zijn uitgekomen. En nachtmerries? Crashen, klapband, de vangrail in? Nee, dat nooit.

Omkleden maar weer. Spijkerjasje met bontkraag, nieuwe schoenen, broek uit, broek aan. Het duurt ondertussen best lang allemaal, maar Max laat zich nog steeds welwillend regisseren. Even lachen, handen in de zak, handen uit de zak, zitten, staan, en zo gaat het maar door. En je moet toegeven dat hij het allemaal prima doet, het is geen stijve hark, ook met al die lampen erop en al die mensen erom heen blijft hij volkomen naturel. Kan hij even langzaam opkijken naar de camera? Ja hoor, dat kan hij. Max de filmster. Limburgs Mooiste.

Hoe is het contact nu met de collega-coureurs? Ze zullen steeds meer respect voor hem krijgen, zeker als de resultaten goed blijven. Vinden ze het niet vervelend om ingehaald te worden door een negentienjarige? Het is altijd vervelend om ingehaald te worden. Is zijn moeder wel eens bezorgd? Ze is wel nerveus, maar ze wil vooral dat hij het goed doet; ze zegt nooit ‘doe maar rustig aan dit keer’.

Nieuw jasje. Nieuwe broek. Geen krimp.

Inmiddels is wel duidelijk hoe Max met dit soort situaties omgaat. Hij laat het gewoon gebeuren, hij verspilt er geen druppel energie te veel aan. En als een bepaald shot iets te lang duurt, of als ze weer eens zijn haar of kleding schikken, zodat het er allemaal nog beter uitziet, zie je hem als het ware even in zichzelf verdwijnen. Zijn ogen krijgen een afwezige glans, die je ook wel waarneemt na een race, als hij de verplichte interviews doet en op de automatische piloot wat antwoorden formuleert.

Moet ook, natuurlijk. Als je, in zijn positie, gaat meedeinen op de bewegingen en de emoties van de buitenwereld, word je gek. Dan is het heel prettig om een plekje te hebben waar je je altijd kunt verstoppen, namelijk in je eigen hoofd. En eigenlijk valt het ook best mee met al die hysterische toestanden, vanuit zijn standpunt gezien. Het zijn de anderen die zich druk maken, Max zelf staat in het oog van de orkaan.

Je kunt natuurlijk niet meer terug, als je eenmaal op de hoge duikplank bent geklommen. Maar hij doet alsof het allemaal volkomen vanzelf spreekt, alsof hij zelf eigenlijk allang wist dat dit zou gaan gebeuren. En als je dat weet, ben je voorbereid. Ach, het is allemaal schijn, die jeugdige oogopslag, die schaapachtige glimlach. Als je nagaat hoe lang hij in feite al voor het echie racet, hoeveel uren hij al op circuits en in garages heeft doorgebracht, is Max gewoon een keiharde veteraan. Alles gezien, alles meegemaakt. Dan raak je niet van de leg als één of andere betweter je een brokkenpiloot noemt.

Je kunt je wel afvragen of iemand als Max een leven heeft buiten de racebaan.

‘Op dit moment niet,’ zegt hij.

En vroeger dan? Eigenlijk ook niet. En in de toekomst? Nou, misschien als hij 35, 36 is. Misschien dat hij dan wel eens ‘iets anders’ wil.

Genoteerd: ergens rond het jaar 2035 zullen we misschien weten wie ‘de mens’ achter de coureur is. Als die al bestaat, want Max heeft nooit iets anders gedaan dan wat hij nu doet, en ook nooit iets anders geambieerd; racen is de definitie van zijn persoonlijkheid.

Het is tijd om af te ronden. Max moet weg. Maar waarheen? Naar een wereld die buiten ons bereik ligt, dat is zeker. De Grand Prix van Abu Dhabi, over anderhalve week, is slechts de volgende etappe van zijn reis.

Volgend seizoen, als het hele circus opnieuw over de continenten trekt, gaat het misschien wel gebeuren. Of anders het seizoen daarop. En als het gebeurt, dan is zijn verhaal natuurlijk helemaal af, dan hoef je er echt niks meer aan te doen. Maar op een bepaalde manier zullen we hem dan ook kwijt zijn, die jongen met dat zangerige accent. En als je Jos zwijgend ziet toekijken, in het halfduister van de studio, voel je opeens dat vaderlijke trots ook een beetje pijn doet, omdat het betekent dat je op en duur moet loslaten.

Laat een reactie achter

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd.